Erik Voncken (31) is net als Rosanne groot liefhebber van het Franse land. Van Franse wijnen, Franse landschappen, het Franse volk en natuurlijk: van charmante Franse dorpen. Hij reisde naar Normandië af, waar hij op zoek ging naar de magie van deze Noord-Franse streek…
Maximaal zes uur in de auto, dat was het belangrijkste criterium toen we vorig jaar zomer een vakantiebestemming zochten. En in Frankrijk natuurlijk. Na wat grasduinen kwamen we uit bij de Boucles de la Seine, een natuurpark ten westen van Parijs. En we waren niet alleen, zo bleek, want waar we ook gingen, we kwamen steeds die oude bekende tegen.
De keus om niet langer dan zes uur in de auto te zitten, is uit nood geboren. Voor de eerste keer zijn we niet met z’n tweeën, maar met z’n drieën. Eigenlijk zijn we met zes, want onze vrienden hebben ook een baby aan boord. Gelukkig blijkt Monty, nog net niet één jaar, goed geluimd, want we hoeven onderweg geen halsbrekende toeren uit te halen met flessen, doekjes of crackers. In zijn gezicht zitten nog vlekken van de waterpokken, maar als we omkijken naar de achterbank lacht hij daar met gemak doorheen.
De halve middag ligt nog voor ons als we de Franse A29 al links kunnen laten liggen en koers zetten naar een prachtige manoir, genesteld in een zijdal van de Seine, die we voor de lengte van een week hebben gehuurd. We passeren de Abbaye de Wandrille, laven ons aan de vakwerkhuisjes die hier schering en inslag zijn en zien dan, tussen de bomen, een eerste flits van ons verblijf.
In het echt ziet de Gîte de Manoir du Perroy er net zo idyllisch uit als op de website. Ze bestaat uit een viertal gebouwen die elk zijn opgetrokken uit balk en leem. Over de ruggen van de rieten daken groeien grassen. Een kabbelend beekje dat zijn glashelder water richting Seine voert, verdeelt het terrein liefdevol in tweeën. In de aangrenzende weide rennen askleurige paarden. Bij de stallen verwijlt een oude kat. Zwaluwen tekenen acrobatische lijnen rond een rijzige kastanjeboom. Deze plek ademt een zalige rust.
Klepperende masten
En toch, na een avond en een ochtend met de benen omhoog in ons maison de pierre lokken onze ontdekkerszielen ons toch alweer de auto in. Het idyllische havenstadje Honfleur is ongeveer een uur rijden hier vandaan. Onderweg passeren we de monumentale Pont de Normandie voordat we onze auto parkeren op een steenworp van de oude haven.
Het geluid van klepperende masten en krijsende meeuwen bevolkt de hemel. Een zilte zeelucht dringt mijn neus binnen. We duwen Monty voort langs de prachtige gevels van het Vieux Bassin. De terrassen zitten vol. Obers dragen geurige visgerechten naar hun gasten. We lopen verder langs de Rue Haute, waar de wonderlijkste uithangborden ons de restaurants en woonwinkels in proberen te lokken. Uiteindelijk zwichten we voor G’ours’mandise, een vriendelijk ogende winkel annex bistro met tuinterras. We eten een salade en een crêpe.
Het contrast kan niet veel groter met de historie van deze plek. Waar nu dagjesmensen rondspeuren naar souvenirs, lagen vroeger piraten voor anker, die van de Franse koning de vrijheid kregen om er hun kans af te wachten tot Nederlandse galjoenen aan de horizon voorbij trokken. Het kapen van huiswaarts kerende schepen, tot de nok gevuld met kostbare specerijen uit ‘de Oost’, was een erg lucratief tijdverdrijf.
Oude bekende
Op een zoete aperitiefwijn na kapen wij verder niets deze middag. De zon schijnt en dat nodigt uit tot slenteren. In de Rue de la Bavolle komen we een oude bekende tegen. We kijken elkaar even aan en glimlachen.
Toen ik zestien was, kocht ik een boek over Claude Monet, een van de grondleggers van het impressionisme. Hij betoverde me met zijn zachte toets, kleurgebruik, onderwerpkeuze. Vanaf het moment dat hij zich vestigde in Argenteuil maakte Monet reizen door deze regio en plantte zijn ezel waar dat hem goeddunkte. In 1864 deed hij dat hier, in deze straat. Een plaque langs de kant van de weg herinnert ons daaraan. We zijn er op hetzelfde moment van de dag. De schaduw kruipt langzaam uit de huizen aan de zuidkant, net als op zijn schilderij. Verder is het doek een feest van geeltinten, net zoals de straat nu is.
Het is een aangename eerste ontmoeting. We groeten elkaar. Monet licht zijn pet. We gaan elkaar nog vaker tegenkomen deze week.
Vergane glorie
In Étretat bijvoorbeeld, want een verblijf in het noorden van Normandië is niet compleet zonder een bezoek aan de indrukwekkende krijtrotsen. Opnieuw is het een uur rijden, ditmaal door de binnenlanden. GPS is hier geen overbodige luxe. We rijden van kruispunt naar kruispunt. Slechts zelden zijn er borden die richtingen geven. Zo nu en dan raken miezerdruppels de voorruit. De bebouwing is schaars. Hier en daar flitsen binnenplaatsen van vakwerkboerderijen voorbij. Allen zijn ze rijk aan bloemen. Zo noordelijk zitten we, en toch ademt hier het zuiden.
Als de wegen steeds meer een dalende lijn inzetten, weten we dat de zee in de buurt is. Dan rijden we Étretat binnen. Het is een stadje uit de categorie ‘vergane glorie’. Je stelt je voor hoe Parijzenaars hier zagen en gezien werden. Maar dat is een eeuw geleden. Gevels kunnen meer dan een likje verf gebruiken. De straten rond het centrum maken een grauwe indruk. En dat komt niet alleen door de grijze lucht.
En toch, ook dat heeft zijn charme. In afwachting van de zon die ons is beloofd, drinken we chocolade in een niemendallerig tentje aan zee. Ook hier zou een renovatie op zijn plaats zijn. We besluiten buiten uit te waaien en zetten de wandeling in. Aan de zuidkant van de boulevard torent een van de beroemdste kustbeelden van Europa boven ons: de Porte d’Aval.
Het geheim van Étretat
Monet schilderde de falaises van Étretat meer dan twintig keer. De meeste doeken maakte hij in 1883. Het is niet moeilijk vast te stellen waarom een kunstenaar zijn verblijf hier zou kiezen. Los van de dramatische rotsformaties die zich verheffen boven de wilde zee heeft deze plek een formidabel licht. De Atlantische Oceaan dient zich aan, met zijn wateren van aquamarijn. Tegelijkertijd vecht een zilvergrijs licht voor zijn bestaan. Een licht dat ik herken van de Noordzee.
Misschien is die mix van kleuren wel het geheim van Étretat.
We trotseren de steile klim met Monty in zijn buggy. De treden die in het pad zijn gegraven om de steilte het hoofd te bieden nemen we manmoedig. Dan breekt het wolkendek en komt de zon tevoorschijn. Bovenaan de kliffen doen grote meeuwen zich tegoed aan de thermiek. Gewend als ze zijn aan toeristen kijken ze brutaal in onze camera’s. We wandelen langs l’Aiguille, een naald van 70 meter hoog, eenzaam vooruitgeschoven als de eerste pion in een schaakspel. Even verderop wacht de Manneporte, een robuuste doorgang waar de wind bij zwaar weer ongetwijfeld doorheen zal loeien.
Dat doet hij nu niet. Niks geen loeiende spookstorm, maar een zacht briesje bij een temperatuur van twintig graden. Na de fikse klim brengen we de middag luierend door in het gras. Meeuwen komen en gaan, dagjesmensen maken hun kiekjes. We laten de rotsen voor wat ze zijn. Op de weg terug naar de auto kopen we kleurige blikjes gevuld met sardines en heerlijke marinades. Zodat we van de zee kunnen blijven proeven als we straks weer in Nederland zijn.
Wanneer we terugkeren op de parkeerplaats, staat een baardige man schilderezels in zijn auto te laden. Op de achterbank liggen doeken canvas. Hij knipoogt als hij achter het stuur kruipt en rijdt weg.
Zinnenprikkelend
Ook landinwaarts heeft Normandië veel te bieden. Ik weet een middag vrij te spelen voor mezelf en vertrek naar Rouen. Hoe gek ik ook ben op mijn zoontje, de smaak van vrijheid om te gaan en te staan waar je zelf wilt, is zoet.
Zeer zoet, zo blijkt in Rouen. Bij de beroemde kathedraal krijg ik een plaatje van een salon de thé in het oog. Dame Cakes heeft een barokke gevel van oude vensters gezet in prachtige kozijnen van gelaagd hout. Op de eerste etage is het geheel verrijkt met smeedijzeren guirlandes die bijna zouden verhullen dat wat er zich achter de vensters bevindt minstens zo zinnenprikkelend is. Al zijn het daar vooral de smaakpapillen die aan hun trekken komen. Talloze lekkernijen, van madeleines in diverse kleuren en verschillende flans tot kersen- en abrikozentaartjes en geglazuurde krentencakes staan in slagorde opgesteld. Ik kan niet veel anders dan mij overgeven en probeer de klink van de deur.
‘Wat kan ik voor u doen?’ vraagt een dame op leeftijd achter de rijk gevulde vitrine. Hier en daar mist een stuk taart of een merengue. ‘Zou u voor mij willen kiezen?’ lach ik. Ze begrijpt mijn vraag. ‘Met zoveel lekkers is dat voor u misschien ook wel lastig’, lacht ze terug. Even later sta ik buiten met een doosje gevuld met zoetigheid.
28 façades
Ik zet koers naar het Musée des Beaux Arts, dat heerlijk verlaten is, ook al is het zomer. (Of misschien is dat juist wel de reden.) Ook hier kom ik tussen de Modigliani’s en Duchamps’ een verdwaalde Monet tegen. Ik tref hem aan de oevers van de Seine, bij avondlicht. De zon is net onder gegaan. Hij heeft zijn ogen gesloten, alsof hij de kleuren zo beter kan zien.
Diep onder de indruk raak ik ook van de portretten van Jacques-Émile Blanche, voor mij tot dan een onbekende, die het talent had zijn modellen met vogelvrije penseelvoering op het doek te zetten. Of spiegelde hij daarmee hun ziel af? In het geval van een jonge Jean Cocteau zou die theorie zomaar op kunnen gaan.
Na een bezoek aan de shop besluit ik nog een kleine ronde te maken door de stad, want in Rouen moet je de geest van Monet niet zozeer ín het museum zoeken als wel daarbuiten. Mijn doel is de voorzijde van de atypische Nôtre Dame, met zijn buitenproportionele dakruiter, die het gezicht van de stad al eeuwen in zijn greep heeft.
De zon is naar het westen afgebogen en zet het gotische reliëf van de westfaçade in een gelig licht. Met welk van Monets doeken zou dit tijdstip corresponderen? 28 maal schilderde Monet deze façade, steeds bij ander licht. Want dat was zijn obsessie: niet om het object zo correct mogelijk weer te geven, maar om het licht te vangen. Ik vergaap me een tijdje aan de rijke vormentaal van de kerk. Daarna maak ik rechtsomkeert sla de Rue du Gros Horloge in. Ik passeer onderlangs de markante klokkentoren waaraan deze straat zijn naam te danken heeft. Het uurwerk toont dat het tijd is om huiswaarts te keren. Vanavond eten we zoet gebak.
Een cursus in magie
Voor een laatste ontmoeting met Monet rijden we naar Giverny.
In 1883 kocht Monet een stuk land waarop hij een tuin aanlegde. Hij maakte op dat moment deel uit van een onconventionele gezinssamenstelling. Zijn vrouw was een paar jaar daarvoor overleden. Op dat moment deelde de familie Monet al een huishouden met Alice en Ernest Hoschedé. Samen hadden ze acht kinderen. Er waren de nodige geruchten over de kunstenaar en zijn huisgenoten. Waar rook is, is vuur, zo blijkt, want toen Ernest in 1891 overleed, trouwde Monet met Alice.
We wachten onze beurt af om de Fondation Claude Monet, zoals het complex heet, binnen te gaan. De hoger gelegen bloementuin is een lust voor het oog. Monet leerde tuinieren met vallen en opstaan. De grondbeginselen van tuinontwerp waren hem vreemd. Hij was met name geïnteresseerd in kleur. Die is er, ruim negentig jaar na zijn overlijden, nog genoeg. Ook in zijn huis, waar geel en groen hout de boventoon voeren. Uitgerekend in zijn atelier, voor de bezoekers opgeleukt met replica’s van Monets schilderijen, is het opvallend donker. Schilders houden niet van te direct licht.
Wanneer we de passage onder de provinciale weg nemen naar de lager gelegen lelievijver, voelt het even alsof we het altaar van de moderne westerse kunst benaderen. En toch, als je voor de eerste keer langs de oevers van de vijver met de waterlelies loopt, moet je even slikken. Elke bezoeker die hier loopt, heeft de sublieme schilderijen van Monet op zijn netvlies. Dit is een ‘gewone’ vijver. Het heeft dan ook wat tijd nodig voor ik die twee met elkaar weet te rijmen.
Het resultaat is nog meer bewondering voor Monet, die dwars door een turbulent leven heen de obsessie voor licht en kleur wist om te zetten naar visionaire beelden. Terwijl buiten de Eerste Wereldoorlog woedde, speelde zich in zijn geest de zoektocht naar het perfecte licht, naar het geheim van zijn. Monets doeken zijn een cursus zonder woorden, zonder wijzende vinger, die ons in stilte leert dat overal om ons heen de magie wacht.